HOOFDSTUK 38 @BRK#‘Kom je met me mee, Merlon?’ vroeg ze. ‘Dan kun je horen wat hij te zeggen heeft.’ En daar gingen ze samen terug naar de achtste verdieping, en vervolgens door de zware deur naar de wenteltrap. De boogschutter die Dimons verzoek was komen overbrengen kwam vlak achter hen aan, en Cassandra herinnerde zich nu weer dat hij degene was die ze bij de opening in de trap had achtergelaten en die ze had opgedragen iedereen die de bocht omkwam neer te schieten. Ze glimlachte. Dimon had blijkbaar eerst geroepen dat hij eraan kwam en zichzelf daarna pas vertoond, zodat hij niet ter plaatse zou worden gedood. Ze kwamen bij de onderbreking van de trap. Beneden was niemand te zien. Ze keek vragend naar de twee mannen die op de uitkijk waren blijven staan. ‘Waar is hij?’ vroeg ze. Een van hen wees vaag naar beneden. ‘Daar ergens, vrouwe. Vlak om de bocht, denk ik.’ Hij lachte. ‘Hij vertrouwde ons geloof ik niet echt.’ Ze beantwoordde zijn lach. ‘Hij is niet op zijn achterhoofd gevallen,’ zei ze. Ze verhief haar stem en riep naar beneden, waarbij haar woorden tussen de stenen muren heen en weer galmden. ‘Dimon? Waar ben je?’ Er viel even een stilte voordat er antwoord kwam. ‘Cassandra? Ik heb hier een vlag waarmee ik een wapenstilstand voorstel.’ Hij klonk vlakbij. Waarschijnlijk stond hij vlak om de hoek. Terwijl hij zijn woorden uitsprak verscheen er een stok in het trapgat. Slap erlangs hing een witte lap. De drager ervan zwaaide hem een paar keer heen en weer, zodat degenen boven aan het gat hem goed konden zien. ‘Ik zie het,’ antwoordde ze. Er viel opnieuw een stilte. Na een tijdje sprak Dimon weer, een beetje aarzelend nu. ‘Zal je hem eerbiedigen?’ De gedachte dat ze een vlag voor een wapenstilstand zou schenden, vatte ze als een belediging op. Maar ze besefte meteen dat Dimon zich daar niet voor zou schamen. En wie zich daar niet voor schaamde, verwachtte van anderen niet anders. ‘Ja,’ antwoordde ze kortaf, en de irritatie in haar stem was hoorbaar. ‘Je bent veilig, we zullen niet schieten. Al mag God weten waarom niet.’ ‘Ik heb je erewoord nodig,’ zei Dimon. ‘Dat heb je, hoor.’ Haar ergernis werd met de minuut duidelijker. ‘Hou nou maar op met dat gezeur en kom gewoon tevoorschijn.’ Langzaam kwam Dimon de bocht om. In zijn rechterhand droeg hij de witte vlag. Hij ging in het midden van de bovenste tree staan en keek omhoog. Het was donker in het trappenhuis en ze hadden geen van beiden een fakkel, dus het zicht was slecht. ‘Ik kan je niet goed zien,’ zei hij. ‘Ik zie jou uitstekend,’ zei ze. ‘Zeg nou maar gauw wat je te zeggen hebt.’ ‘Ik heb een voorstel,’ zei hij. ‘Als je je nu overgeeft laat ik je in leven. En Madelyn ook.’ Die laatste woorden waren een enorme opluchting voor Cassandra. Ze had gevreesd dat deze bespreking over Maddie zou gaan – dat Dimon haar zou vertellen dat hij haar dochter gevangen had genomen en haar zou gebruiken om Cassandra’s overgave af te dwingen. Maar blijkbaar was hij ervan overtuigd dat Maddie bij haar boven in de toren was. Dat betekende dat ze veilig was – voor nu, althans. ‘Dus je zou ons gewoon laten gaan?’ vroeg ze. Het ongeloof droop van haar stem af. ‘Dat zei ik niet. Ik zou jullie gevangenhouden tot ik jullie veilig uit het land kon laten vertrekken. Ik zou je laten zweren dat je nooit zou terugkeren om mij mijn troon afhandig te maken.’ ‘Mijn vaders troon, zul je bedoelen,’ zei ze. Hij reageerde daar niet op. ‘Vanwaar deze plotselinge ruimhartigheid, Dimon?’ vroeg ze. ‘Omdat ik dan heb wat ik hebben wil. Mijn volgelingen willen dat de troon weer een aangelegenheid voor mannen wordt. Als ik op de troon zit, zal ik dat regelen. Ze vinden dat een vrouw op de troon indruist tegen de rede, de tradities en de wetten van God.’ ‘Ik vroeg me al af wanneer je die erbij zou halen,’ zei ze smalend. ‘Ik bied je je leven aan. Ik zal zorgen dat het je aan niets ontbreekt. Madelyn en jij zouden in bijvoorbeeld Gallica of Toscana in luxe kunnen leven. Maar niet in Skandia,’ voegde hij eraan toe. ‘Erak en zijn Skandiërs vinden het vast niet zo leuk dat ik jullie van de troon heb gestoten.’ ‘Vergeet je niet iets?’ vroeg Cassandra. ‘Het is een prachtig plan, maar als mijn man uit het noorden terugkeert denk ik niet dat hij er erg blij mee zal zijn. En Gilan trouwens ook niet. Als zij vernemen dat ik verbannen ben, zit jij waarschijnlijk niet lang meer op de troon.’ Hij keek naar beneden en aarzelde even. ‘Het spijt me dat je het van mij moet vernemen, Cassandra,’ zei hij toen. ‘Maar Arnaut is dood. En Gilan ook.’ Bij die woorden klemde zich een ijskoude hand om Cassandra’s hart. Ze kon zich een wereld zonder Arnaut helemaal niet voorstellen. Haar grote, sterke, vrolijke Arnaut. Haar rots in de branding! Altijd aardig en vriendelijk en zorgzaam, en op het slagveld nog nooit verslagen. Hij kon toch niet dood zijn? En Gilan, met zijn vrolijke lach en zijn opgeruimde karakter! Hoe konden ze allebei dood zijn? ‘Dat geloof ik niet,’ zei ze. Dimon schudde zijn hoofd. ‘Ik vind het echt vervelend voor je. Ik mocht Arnaut graag. Maar dat kleine groepje opstandelingen waar hij onderzoek naar ging doen bleek een leger van honderdvijftig man te zijn. Twee dagen geleden kwam het tot een confrontatie, en daarbij zijn zowel Arnaut als Gilan omgekomen – net als de meeste anderen uit hun eenheid.’ Hij gunde haar even de tijd om die woorden te laten bezinken, maar ging toen verder. ‘Klamp je dus niet vast aan de valse hoop dat zij je zullen komen redden, Cassandra. Dat gaat namelijk niet gebeuren. Een beter aanbod dan wat ik je bereid ben te geven ga je niet krijgen.’ Ze zweeg. Ze wist dat haar stem, als ze meteen reageerde, zou verraden dat onzekerheid zich meester van haar had gemaakt. Ze begreep dat ze krachtig moest klinken. ‘Ik zal er even over moeten nadenken,’ zei ze uiteindelijk. Hij begreep dat hij nu de overhand had en aarzelde geen moment. ‘Ja, maar niet lang. Zoals ik al zei: een beter aanbod ga je niet krijgen. Maar het geldt alleen vandaag. Daarna nemen wij de hele toren in.’ ‘Dat kun je proberen,’ zei ze. Dit was bekender terrein voor haar en ze voelde zich weer wat zekerder. ‘We hebben hier eten, drinken en wapens in overvloed. We kunnen het hier maandenlang uithouden. Tegen de tijd dat je deze toren veroverd hebt loop je al met een wandelstok.’ ‘We kunnen de boel in brand steken,’ dreigde hij. Ze schoot in de lach. Dit keer was er niets gemaakts aan haar reactie. ‘Je weet weinig van de constructie van dit gebouw, hè? Bijna alles is van steen. Er is geen houten geraamte en steen brandt niet.’ ‘De vloeren zijn anders wel van hout,’ corrigeerde hij haar. ‘Die branden prima.’ ‘Zoals ik al zei: je weet weinig van dit gebouw af. We hebben hier op het dak twee enorme waterreservoirs. Van een van die twee loopt een buizenstelsel naar de lagere verdiepingen. De vloeren zijn van hardhout, dus dat brandt niet goed. En als je ze in brand probeert te steken, zetten we ze gewoon onder water.’ Het bleef lang stil aan de andere kant. Uiteindelijk antwoordde Dimon, maar hij klonk allesbehalve zelfverzekerd. ‘En dan hebben jullie geen drinkwater meer,’ had hij bedacht. ‘Regen, Dimon,’ antwoordde ze. ‘De reservoirs zitten vol met regenwater dat er vanaf het dak in stroomt. Zoals je wel weet regent het hier tamelijk vaak. Twee of drie nachten regen en zo’n reservoir zit weer helemaal vol.’ Dimon keek omhoog. Hij zag er inmiddels behoorlijk boos uit. Hij wist dat de zuidelijke toren zo goed als onneembaar was – een kleine eenheid kon het daar heel lang uithouden – en hij had geen tijd voor een langdurig beleg. Arnaut en Gilan mochten dan ingesloten in het oude fort bij de Wezel zitten, ze waren allesbehalve dood. En Dimon begreep dat de toestand daar niet lang hetzelfde zou blijven. Er was onrust onder zijn manschappen ontstaan. Boodschappers hadden hem laten weten dat er al veel mensenlevens verloren waren gegaan, en dat ze bij hun pogingen om Arnauts eenheid aan te vallen zware verliezen hadden geleden. Vroeg of laat zouden ze er genoeg van krijgen. Huurlingen vochten voor geld, en het leverde weinig op om een sterke tegenstander die zich op een goed verdedigbare plek had verschanst dagen- of zelfs wekenlang te belegeren. Hij had gehoopt Cassandra af te bluffen. De bedoeling van zijn bericht over Arnauts dood was dat ze in paniek zou raken. Hij was natuurlijk geen seconde van plan geweest zijn woord te houden over haar verbanning. Als hij Maddie en haar in handen had, zou hij ze allebei laten vermoorden. Hij richtte zich nog een laatste keer tot haar. Hij probeerde zelfverzekerder te klinken dan hij zich voelde. ‘Je hebt één dag om over mijn aanbod na te denken,’ zei hij. ‘Eén dag, meer niet. Als je besluit mij te blijven trotseren, zijn de gevolgen voor jouw rekening.’ ‘Morgen om deze tijd krijg je mijn antwoord,’ zei ze. Hij kon een laatste steek onder water niet inhouden. ‘Als je zo slim bent als iedereen beweert, neem je het aanbod aan,’ zei hij. Daarna verdween hij razendsnel weer de bocht om en hoorde ze zijn voetstappen snel wegsterven. Ze keek even naar Merlon en haalde een paar keer diep adem. Ze was uitgeput. ‘We zijn in elk geval één ding te weten gekomen,’ zei ze. ‘Hij heeft Maddie niet.’ Merlon krabde eens in zijn baard. ‘Dat is waar.’ Hij aarzelde, want hij wist niet goed of hij de volgende vraag wel moest stellen, maar besloot het uiteindelijk toch te doen. ‘Gelooft u hem, vrouwe? Over heer Arnaut? Gelooft u echt dat hij dood is?’ Ze schudde haar hoofd. ‘Ik weet het echt niet, Merlon. Het zou verklaren waarom we al zo lang niks van ze vernomen hebben. Maar…’ ze aarzelde. ‘Maar wat, vrouwe?’ ‘Maar Arnaut laat zich niet zo makkelijk vermoorden. Veel mensen hebben het in het verleden al geprobeerd, en dat is eigenlijk altijd slecht voor ze afgelopen.’ ‘Dus u denkt dat hij nog leeft?’ ‘Ja, dat denk ik wel,’ antwoordde ze. ‘Ik denk dat ik het wel zou voelen als hij dood was.’ Maar ze had die woorden graag met wat meer overtuiging uitgesproken.